Gevangenissen

February 2, 2010

Gevangenis Brugge: Open Brief Minister De Clerck

Minister van Justitie Stefaan De Clerck, Waterloolaan 115, 1000 Brussel

Geachte Heer De Clerck,

Betreft: werking van de PSD in de gevangenis van Brugge – dossier G H

Ik stel vast dat de problemen in het bovenvermelde dossier, waarover ik u informeerde, niet opgelost geraken en dat er gewoon verder geknoeid wordt terwijl u zei dat de werking binnen de gevangenissen ‘de prioriteit was van de regering’.

Daarbij worden er criminele praktijken gebruikt die ontoelaatbaar zijn voor justitieambtenaren en waaraan u als verantwoordelijke minister paal en perk moet laten stellen.

Zoals u weet, gaf Els H. van de psycho-sociale dienst (PSD) van de gevangenis van Brugge (PCB) enkele weken geleden te kennen dat zij het dossier van de heer H. ‘per ongeluk’ drie maanden in de schuif had laten liggen waardoor haar rapport niet tijdig aan de rechter van de strafuitvoeringsrechtbank kon overgemaakt worden en het dossier (zoals dat ook in het dossier van de heer Vervloesem van onze vereniging gebeurde) geblokkeerd werd.

Daarna verdween het rapport van de justitieassistente dat ten huize van mevrouw O., verloofde van de gedetineerde, werd opgemaakt.

Het rapport werd, na onze publicaties, op een zondagavond plotseling weergevonden terwijl ik dacht dat de justitiediensten tijdens het weekend niet werkten.

Maar daarna was het nog niet gedaan.

De heer H. werd ondermeer door Els H. opgezocht met de vraag of hij wel akkoord ging met de publicaties op het Internet. Zij viel daarbij voortdurend uit naar de vzw Werkgroep Morkhoven en naar mijzelf als voorzitter van deze vereniging.

Alle verzoeken van de heer H. zouden vervolgens negatief geadviseerd zijn geworden omdat ‘zijn vriendin zich in slecht gezelschap ophield’ of zoiets terwijl mevrouw O. slechts rapporteerde wat er in het dossier van de heer H. gebeurde.

Uit de laatste informatie die ik ontving, zou Els H. tegenover de heer H. nu ook dreigen met een klacht wegens ‘laster en eerroof’ en zou Els H. in het privé-dossier van mevrouw O. zijn gaan snuffelen om haar op basis van bepaalde feiten het zwijgen op te leggen.

Vandaag of morgen zou er ook een personeelscollege bijééngeroepen worden in de gevangenis van Brugge. Maar is het misschien de bedoeling van dit personeelscollege om, zoals in het geval van het dossier Vervloesem gebeurde, enkel mede te delen dat de beslissingen reeds genomen werden en dat men over de ganse lijn ‘negatief zal adviseren’ aangaande de verzoeken van de heer H. en zijn advocaten ?

Over de uitgaansdagen van de heer H. is, na maanden geduld, nog altijd niets geweten zodat hij geen begeleiding kan volgen in een gespecialiseerd centrum.

In bijlage zend ik u nogmaals:

1) Kopie van het schrijven van 20.12.09 van mevrouw O. aan hans.meurisse@just.fgov.be, info@just.fgov.be, lva@just.fgov.be, inzake de aanslepende procedure inzake het penitentiair verlof van de heer H.

2) Kopie van mijn schrijven van 25 januari 2010 aan justitieassistente LvA@just.fgov.be met kopie aan:
hans.meurisse@just.fgov.be, info@just.fgov.be, stefaan.declerck@just.fgov.be, stefaan.de.clerck@pa.be, Guy Swennen, secr.colpg@just.fgov.be, senaat@helgastevens.be, andre.vannieuwkerke@vlaamsparlement.be, els.baart@just.fgov.be, vanessa.bury@just.fgov.be, buurtwerk.sint-jozef@brugge.be, Tine.Vandertaelen@just.fgov.be, els.deloof@just.fgov.be, hofvanberoep.gent@just.fgov.be, ingrid.vranken@just.fgov.be, info@laurette-onkelinx.be, Inge.Vanfraechem@law.kuleuven.be, Johan.Leman@soc.kuleuven.be, inzake het achterhouden en het verdwijnen van dossiers in de gevangenis te Brugge.

Hopende dat u van de ‘prioriteit van de regering’ geen loze belofte maakt, en in afwachting van uw antwoord, teken ik,

hoogachtend,
Jan Boeykens

————————————————

Geachte Mevrouw VA,

Betreft: achtergehouden en verdwenen dossiers, dossier G. H., PCB Brugge

Mevrouw O. wist mij te melden dat het rapport dat u opmaakte en dat spoorloos verdwenen was, gisteren werd weergevonden.

Er schijnt nu weer een ander probleem te zijn opgedoken waarmee het dossier van de heer G. H. opnieuw geblokkeerd wordt.

U deelde mevrouw O. namelijk mede dat zij u ‘alleen met algemene vragen maar niet met vragen rond persoonlijke dossiers mag contacteren’ terwijl de wetgeving zegt dat de gedetineerden en hun opgeving ‘voor alle zaken betreffende detentie en bijhorende problemen’ (zoals het mysterieuze verdwijnen van justitierapporten) bij uw diensten terecht kunnen.

In de hoop dat er spoedig een oplossing komt in deze zaak, en in afwachting van uw antwoord, teken ik,

hoogachtend,

Jan Boeykens Faiderstraat 10 1060 Sint-Gillis

In bijlage: Kopie van de brief die mevrouw O. op 20.12.2009 verstuurde en waarop zij graag een antwoord uwentwege ontving.


Sent: Sunday, December 20, 2009
To: hans.meurisse@just.fgov.be
Cc: info@just.fgov.be, lva@just.fgov.be, minister De Clerck
Subject: aanslepende procedure penitentiair verlof

Betreffende het penitentiair verlof voor mijn verloofde, G. H. verblijvende in het Penitentiair Centrum te Brugge (PCB) sinds 04/08/09:

Met dit schrijven wil ik U meedelen dat G. begin september 2009, zijn aanvraag voor penitentiair verlof én uitgangsvergunningen heeft gedaan. Zijn VI datum is 10/01/2010, dus hij viel binnen de periode waarin hij deze aanvraag mag doen.

Op 12/11/09 werd een maatschappelijke enquête gedaan bij mij thuis door de justitieassistente, mevr. VA, die het verslag van het huisbezoek op 13/11/09 heeft doorgefaxt naar de griffie van het PCB te Brugge. Ondertussen weten we dat het verslag zeer positief was.

G. werd opgeroepen door de directie. Ze hadden documenten ivm zijn penitentiair verlof en daarop moest hij de reden/motivatie van zijn aanvraag voor zijn verlof op invullen.

Hij vroeg de directie hoe lang het nog ging duren voordat hij effectief zijn verlof kon aanvragen en krijgen, daarop werd geantwoord dat de documenten naar Brussel moesten gestuurd worden en hij op drie weken moest rekenen tegen dat deze documenten terug in het PCB waren.

Ondertussen zijn er al vier weken voorbij en heeft hij nog geen enkel nieuws ontvangen hieromtrent.
Op 15/11 heb ik persoonlijk het PSD van het PCB te Brugge opgebeld en gesproken met maatschappelijk assistente Els Henrard teneinde enige informatie te bekomen over de lange aansleep van die aanvraag voor penitentiair verlof.
Mijn vraag werd als lachwekkend beschouwd: “penitentiair verlof? Maar mevrouw, in de computer staat dat de aanvraag pas op 27/11/09 is gebeurd, er is zelfs nog geen advies opgemaakt door de directie!

En daar hebben zij twee maanden de tijd voor, dus als U rekent, twee maanden na de aanvraagdatum, komen we op 27/01/10! En dan duurt het nog eens drie weken voordat de documenten terug zijn uit Brussel!”

Hieronder artikels 8, 9, 10 en 11 van de wet van 17/05/2006 inzake penitentiair verlof en uitgangsvergunningen:

Art. 8. Drie maanden voor de veroordeelde zich in de door artikel 7, 1°, bepaalde tijdsvoorwaarde bevindt, licht de directeur de veroordeelde schriftelijk in over de mogelijkheden tot toekenning van penitentiaire verloven. De veroordeelde richt zijn schriftelijk verzoek tot penitentiair verlof aan de directeur. De directeur kan de Dienst Justitiehuizen van de federale overheidsdienst Justitie opdragen een beknopt voorlichtingsrapport op te stellen of een maatschappelijke enquête te houden in het door de veroordeelde voor het penitentiair verlof voorgestelde opvangmilieu. De Koning bepaalt de inhoud van dat beknopt voorlichtingsrapport en van die maatschappelijke enquête. Binnen twee maanden na de ontvangst van het verzoek, stelt de directeur een met redenen omkleed advies op en zendt hij het verzoek en zijn met redenen omkleed advies over aan de minister of zijn gemachtigde en bezorgt de veroordeelde een afschrift ervan.

Art. 9 Indien het advies van de directeur niet wordt meegedeeld binnen de in artikel 8, vierde lid, bepaalde termijn, kan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg op schriftelijk verzoek van de veroordeelde, de minister op straffe van een dwangsom veroordelen tot het uitbrengen van zijn advies, via de directeur, binnen de termijn voorzien door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg en om aan de veroordeelde een afschrift van dit advies ter kennis te brengen. De voorzitter doet uitspraak na de veroordeelde en de minister of zijn gemachtigde te hebben gehoord, op advies van het openbaar ministerie, binnen vijf dagen na ontvangst van het verzoek.

Art. 10. § 1. De uitgaansvergunning of het penitentiair verlof wordt toegekend door de minister of zijn gemachtigde, op verzoek van de veroordeelde en na een met redenen omkleed advies van de directeur. Het advies van de directeur bevat, in voorkomend geval, een voorstel van bijzondere voorwaarden die hij nodig acht op te leggen.

§ 2. Binnen veertien dagen na de ontvangst van het dossier neemt de minister of zijn gemachtigde een beslissing. Deze met redenen omklede beslissing wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk meegedeeld aan de procureur des konings van het arrondissement waar het penitentiair verlof zal plaatsvinden. Indien de minister of zijn gemachtigde oordeelt dat het dossier niet in staat is en er bijkomende informatie noodzakelijk is om een beslissing te kunnen nemen, kan deze termijn éénmalig met zeven dagen worden verlengd. De minister of zijn gemachtigde deelt dit onverwijld mee aan de directeur en de veroordeelde.

§ 3. Indien de uitgaansvergunning, bedoeld in artikel 4, of het penitentiair verlof wordt geweigerd, kan de veroordeelde een nieuwe aanvraag indienen ten vroegste drie maanden na de datum van deze beslissing. De beslissing van de minister of zijn gemachtigde wordt met redenen omkleed.

§ 4. Bij gebrek aan een beslissing binnen de bepaalde termijn wordt de minister geacht de uitgaansvergunning of het penitentiair verlof toe te kennen. Aan deze uitgaansvergunning of dit penitentiair verlof worden de bijzondere voorwaarden gekoppeld die de directeur, in voorkomend geval, overeenkomstig § 1, heeft voorgesteld.

Ik vraag U, als ik bovenstaande tekst lees en herlees, is er iets dat ik mis of niet zie?
G. heeft het verzoek ingediend begin september. Als ik een beetje kan rekenen, dan zijn bovenvermelde twee maanden reeds ruimschoots verstreken en heeft G. geen afschrift gekregen van het advies, dat moest opgesteld zijn binnen de twee maanden.
Nochtans is de wet zeer duidelijk hierover: de gedetineerde moet een afschrift krijgen van het advies! Het feit dat de PSD mij laat weten dat de aanvraag pas op 27/11/09 staat genoteerd in hun computer, dan moet ik voor de zoveelste keer vaststellen dat de werking van de diensten binnen de muren van het PCB nog maar eens een complete ramp is.

Sinds zijn opsluiting hebben wij, G. in het bijzonder, nog niets anders gehad dan foutieve informatie van zowel directie als PSD op ALLE GEBIED. De ene dienst schuift de verantwoordelijkheid door naar de andere, ofwel weten ze van niks, ofwel zijn ze de documenten kwijt, enz enz.. Altijd is er wel een reden die ze aanhalen om hun incompetentie te verdoezelen.
Niet alleen incompetentie, maar zelfs bewust tegenwerken zodat dossiers niet in orde komen op tijd, met alle gevolgen van dien.

Ik ga hier echter nu niet verder over uitwijden. Mij gaat het over zijn penitentiair verlof en uitgangsvergunningen. Aangezien G. door niks of niemand geïnformeerd wordt over de stand van zaken, of het is verkeerde informatie, neem ik het initiatief.

Na bijna 5 maanden geleuter en onprofessioneel werken door elke dienst binnen het PCB ben ik het grondig beu! Wij, als familie die buiten achterblijven, G., als gedetineerde, die opgesloten zit en verplicht is om braaf ja te knikken terwijl men hem neerbuigend en al treiterend eender wat wijsmaakt om er vanaf te zijn, hebben het recht om juiste informatie te krijgen.

In de jaar- en activiteitenverslagen van Justitie staat het allemaal zo mooi neergeschreven: dat een gedetineerde een degelijke begeleiding en advisering krijgt, dat de verschillende diensten ervoor moeten zorgen dat de gedetineerde op alle vlak bijgestaan wordt, dat alles in het werk wordt gesteld om het humane aspect voorop te stellen…enz.
Wij hebben tot nu toe enkel hele slechte ervaringen gehad, niks begeleiding, niks advies, alles heeft G. zelf gedaan.

Ik vraag U, heel beleefd, om mij AUB een antwoord te geven over deze aanslepende toestand betreffende het penitentiair verlof van G..

Hieronder heb ik ter illustratie de tekst gezet over DIG, terug te vinden in het activiteitenverslag van het directoraat-generaal penitentiaire inrichtingen. Ik hoop dat U deze mail ook naar deze diensten kan doorsturen zodat ook zij weet hebben van deze zaak.

De Dienst Individuele Gevallen: De Dienst Individuele Gevallen (DIG) formuleert voorstellen en neemt beslissingen betreffende de strafuitvoeringsmodaliteiten voor de veroordeelden, rekening houdend met het detentieplan. Zij voert deze taken uit met respect voor de belangen van de veroordeelden, het slachtoffer en de maatschappij en binnen de geest van een herstelgerichte detentie. De dienst is bevoegd voor oa de uitgangsvergunningen, de penitentiaire verloven en de strafopschortingen

Met hoogachting
L.O.


Van: Jan Boeykens <werkgroepmorkhoven@gmail.com>

Datum: 2 februari 2010
Onderwerp: Gevangenis Brugge
Aan: stefaan.declerck just.fgov.be, stefaan.de.clerck@pandora, info just.fgov.be
Cc: els.deloof just.fgov.be – directie gevangenis Brugge, els.baart just.fgov – dossierbeheerder De Clerck, vanessa.bury just.fgov.be – kabinet De Clerck, andre.vannieuwkerke vlaamsparlement, persagentschap belga.be, carine russo, Vandertaelen just.fgov – DIG – ex-PSD, guy swennen – senaat – commissie justitie, g.j.degraaf@eerstekamer.nl, hoofdredactie demorgen, vpro.nl, laurette-onkelinx.be, Raf Jespers progresslaw, jan.dentandt minfin.fed.be, radionieuws nos.nl, redactie.dng persgroep, lieselot.bleyenberg just.fgov.be – kabinet De Clerck

belgische justitie, doofpot, kinderporno, zaak Zandvoort, Belgische Koning, christendemocraten, justitieministers, Nederlandse Kamer

2 Comments »

  1. Een dag uit het leven van de verloofde van een gedetineerde…

    Justitie en haar diensten: het leven zoals het is…

    3.2.2010

    Vandaag is er een brave ziel van JWW (Justitieel Welzijnswerk, gevangenis Brugge) zelf eens gaan vragen hoe het zat met die afschriften van adviezen waar ik gisteren bij de griffie om had gevraagd en waarvan men mij bleef herhalen dat de persoon in kwestie deze had gehad.

    Tot mijn verbazing, heeft zij de afschriften bekomen, en dit ondanks het feit dat ze eigenlijk al met zekerheid waren bezorgd aan de persoon in kwestie..

    Waarvoor allereerst mijn oprechte dank aan deze persoon, dankzij haar tussenkomst (en zo één van de weinigen is die wel blijk geeft van te willen helpen waar nodig) werden afschriften bezorgd aan degene die er bij wet recht op had, maar ze niet kreeg.

    Aangezien de griffie mij niet hadden kunnen afschepen met hun “ik weet het niet”, “het ligt mss daar of ginder”, “wat U zegt is geen waar”, en zelfs “HIJ HEEFT DIE AFSCHRIFTEN WEL GEHAD”, en ik dus bleef vragen naar wat meer uitleg, hebben de dame en de heer van de griffie (waar men ALTIJD terecht kan met een vraag –op voorwaarde dat het geen vraag is waar men liever niet op antwoordt…) met gebundelde krachten het schuifraam dichtgeduwd, zeg maar, mijn mond gesnoerd.

    Die lieve dame vond het zelfs nodig om mij te bedreigen door te zeggen dat als ik NU niet weg ging, ze “iemand ging roepen”…

    En dat allemaal omdat ik, beleefd, antwoorden of uitleg vroeg op mijn vragen of zaken die voor mij zeer onduidelijk waren… Vreemde reactie, “iemand roepen”…? En wat zeggen tegen die persoon? “Die madam stelt vragen waar wij niet willen/kunnen/mogen op antwoorden, hoe minder ze weet hoe beter, dus neem haar maar mee en ? (weet ik veel, steek haar in de cel?)

    Net op tijd heb ik me kunnen terugtrekken of ik zat met hoofd en al tussen het raam geklemd…

    Van een transparant en open beleid gesproken… enfin, aangezien de griffie blijkbaar niets wist/beweerde niets te weten, en ze zo vriendelijk waren om “iemand te roepen” voor me, (die toch mijn vragen ook niet ging beantwoorden ) én ik haast was geplet tussen dat raam, vond ik dat hun manier van doen niet bepaald door de beugel kon, en ging ik op aanraden van een cipier in de bezoekerszaal, eens tot bij de kwartierchef om de situatie uiteen te doen.

    Wat ik ook heb gedaan. Mevrouw ? (heb haar naam gevraagd maar ze zei dat het niet nodig was dat ik die wist…?) ging dan wel eens gaan luisteren bij de griffie over wat het probleem was.

    Daarmee was de zaak rond. Misschien dat mijn verwachtingen weer veel te hoog waren, ik dacht dat mevrouw ? wel eventjes mee ging gaan tot aan de griffie, met mij mee, zodat ik tenminste de juiste personen kon aantonen die mij zo vriendelijk te woord hadden gestaan, en tevens wel interesse had in wat er over de situatie ging gezegd worden.

    Nee dus, wanneer, wie, waarom of hoe ivm die toestand bij de griffie, ik kan alleen maar zeggen dat ik hoop dat mevrouw ?, als ik die ooit nog eens zie, mij zal laten weten hoe ze de zaak heeft “ingekeken”. Het zal mss bij “het zelf gaan snuiven” blijven, maar ik zeg er direct bij dat ik dit nu nog niet kan zeggen, mevrouw ? heb ik nog niet gezien, ik zal me hierover nog niet uitspreken.

    Zodus, aan de hand van de afschriften werd dus direct duidelijk dat alles was zoals verwacht én tevens van op voorhand meedegedeeld: NEGATIEF.

    NEGATIEF voor penitentiair verlof, gebaseerd op “tegenaanwijzingen”.

    Eventjes wat duidelijker: art 47 = tegenaanwijzingen voor het niet toekennen van PV en UV etc. Staat in de wet, maar kom, we gaan niet teveel in detail gaan..

    Hoeveel tegenaanwijzingen staan er in dit artikel?

    Op basis van hoeveel tegenaanwijzingen werd het negatief geadviseerd?

    Das kwestie van alles op alles te zetten om zo zeker te geraken waar men wil!

    Wat de inhoud van die 4 tegenaanwijzingen precies is, zal ik niet beginnen overtypen.

    Wel wil ik met onderstaande tekst, komende van de site steunpunt.be, duidelijk maken dat alle vragen en bedenkingen ik heb wat betreft de manier waarop men adviezen opstelt , niet enkel mijn vragen zijn, maar blijkbaar ook vragen zijn van talloze andere mensen.

    « Wetsontwerp ‘Externe rechtspositie van gedetineerden’

    Het Belgisch penitentiair beleid is in beweging. Na decennia verwaarlozing wordt vandaag werk gemaakt van een wettelijk kader voor de uitvoering van de gevangenisstraf gestoeld op een rechtspositionele benadering van gedetineerden. Een wettelijk kader moet rechtsgelijkheid en rechtszekerheid brengen, meer duidelijkheid voor alle betrokken partijen en meer transparantie in de doelstellingen van de gevangenisstraf, de procedures en de uitvoering ervan. Het wetsontwerp betreffende de externe rechtspositie van gedetineerden is te lezen in samenhang met het wetsontwerp ‘Strafuitvoeringsrechtbanken’ en met de Basiswet gevangeniswezen en rechtspositie van gedetineerden (12 januari 2005), en bouwt verder op volgende leidende principes: legaliteit, schadebeperking, responsabilisering, participatie en een op reïntegratie en herstel gerichte invulling van de detentie.

    Met de opvang, begeleiding en structurele ondersteuning van verdachten, daders en slachtoffers van delicten is het Algemeen Welzijnswerk al jaren actief op het raakvlak welzijn – justitie. Vanuit deze praktijk onderschrijft het Algemeen Welzijnswerk voornoemde principes en worden de recente ontwikkelingen op weg naar een hernieuwd penitentiair beleid toegejuicht.

    Het ‘wetsontwerp externe rechtspositie’ getuigt van de fundamentele keuze over te stappen van een gunsten- naar een rechtenregime voor wat betreft de toekenning van verschillende strafuitvoeringsmodaliteiten. Wij hopen ten zeerste dat deze keuze doorheen de parlementaire besprekingen overeind blijft.

    Na lezing van voorliggend ontwerp formuleren wij enkele kritieken, kanttekeningen.

    ———————————————————

    Een kwantitatieve grens van 3 jaar i.t.t. een kwalitatieve, geïndividualiseerde benadering
    Het voorliggend wetsontwerp bouwt verder op de huidige praktijk waarbij veroordeelden met een straf (met een uitvoerbaar deel) van meer dan 3 jaar via een andere procedure en onder andere voorwaarden dan zij die korter gestraft zijn de gevangenis kunnen verlaten. Opdat hij voorwaardelijk kan vrijkomen zal de langgestrafte een reclasseringsplan moeten voorleggen, zijn dossier wordt behandeld door de multidisciplinaire strafuitvoeringsrechtbank.
    De kortgestrafte verschijnt zonder reclasseringsplan in handen voor een alleenzetelend rechter. Deze keuze bouwt verder op de vooronderstelling dat de problematiek van veroordeelden tot kortere straffen minder complex of minder ernstig is, minder voorbereidend of reclasserend werk vraagt, ook minder opvolging en controle eist,… dan het geval is bij veroordeelden tot langere gevangenisstraffen. De realiteit leert dat deze abstracte juridische grens geen maatstaf is om dit te bepalen. De strafmaat zegt weinig over de persoon van de gedetineerde en diens reclasseringsvooruitzichten.

    Het reclasseringsplan; wat en hoe?

    Art. 48 stelt dat het dossier van de veroordeelde – tot een straf van meer dan 3 jaar – een sociaal reclasseringsplan dient te bevatten waaruit de perspectieven op reclassering van de veroordeelde blijken. Hoewel een noodzakelijk en centraal element in het dossier van de veroordeelde worden de inhoudelijke lijnen van dit reclasseringsplan niet in de wet uitgewerkt. We moeten het wat dit centraal gegeven betreft dus met veronderstellingen doen.
    In de artikelsgewijze toelichting (stuk 3-1128/1) gaf de minister terzake een vage aanwijzing: “hoe tegenaanwijzingen op vlak van reclassering zullen ondervangen worden, … focus op de toekomst op grond van objectieve en niet van morele gegevens, … een concreet reclasseringsproject”.

    Op welke elementen zal dit plan worden geëvalueerd?

    In dit verband moet de vraag gesteld of ook de houding van de veroordeelde ten aanzien van het slachtoffer en/of zijn inspanningen om de schade – in materiële of andere zin – te herstellen in dit reclasseringsplan dient opgenomen. Opmerkelijk is dat ‘de houding van de gedetineerde ten aanzien van de slachtoffers’ als tegenaanwijzing in de wet op de voorwaardelijke invrijheidstelling van 5 maart 1998 in het voorliggend ontwerp niet is weerhouden. In de memorie van toelichting argumenteert de minister dat de belangen van het slachtoffer belangrijk zijn maar dat dit een vage en moeilijk te gebruiken uitdrukking is. Met oog op een rechtsgelijke behandeling mag verwacht worden dat de wet wat de inhoud en reikwijdte van het reclasseringsplan betreft meer duidelijkheid en richting geeft!

    Ook de totstandkoming van dit reclasseringsplan roept vragen op. In de memorie van toelichting wordt aangegeven dat het aan de bevoegde diensten (“psychosociale dienst van de gevangenis/PSD of externe dienst”) toekomt om een proactieve houding aan te nemen en samen met de veroordeelde aan de reclassering te werken; het is aan deze diensten dat het initiatief tot verwezenlijking van een reclasseringsplan toekomt.
    De veroordeelde mag hiermee echter niet ontslaan worden van de eigen verantwoordelijkheid. Integendeel: hem actief aanspreken, motiveren en bijstaan moet er net op gericht zijn hem de nodige middelen in handen te geven om zélf verantwoordelijkheid voor zijn sociale reclassering op te nemen.
    Misschien moet in dit verband duidelijker gesteld dat niet de ‘bevoegde diensten’ maar de veroordeelde zélf eigenaar is van en verantwoordelijk is voor zijn reclasseringsplan?

    Het advies van de gevangenisdirectie?

    Voor alle strafuitvoeringsmodaliteiten is een voorafgaand advies van de directeur van de gevangenis vereist. Voor de beperkte hechtenis, elektronisch toezicht en voorwaardelijke invrijheidstelling is in art. 31 opgenomen dat de directeur hiertoe een dossier opmaakt waarin ondermeer ‘het verslag van de directeur’ is opgenomen. Het ontwerp biedt geen duidelijkheid over de inhoud en totstandkoming van dit verslag. Wordt de veroordeelde door de directeur gehoord? Zal hier legio de actuele werking van de personeelscolleges een multidisciplinaire aanpak voorop staan? Zal de psychosociale dienst van de gevangenis in dit verslag in haar advies- en expertiseopdracht erkend worden?

    Het personeelscollege: een lege doos?

    Het wetsontwerp stapt af van het personeelscollege als filter, beslissend tussenorgaan in de besluitvoering inzake de toekenning van strafuitvoeringsmodaliteiten. Dit is een belangrijke stap vooruit. In art. 31 is opgenomen dat de veroordeelde nog wel , op zijn verzoek, kan gehoord worden door het personeelscollege. Desgevallend worden ook de opmerkingen van het personeelscollege aan het dossier dat de gevangenisdirecteur opbouwt toegevoegd. Ook deze keuze roept vragen op. Waarom deze onduidelijke, dubbelzinnige constructie? Wat is nog de rol en het statuut van het personeelscollege ? Wat is de waarde van haar advies? Hoe verhoudt dit advies zich tot het (al dan niet multidisciplinair) verslag van de gevangenisdirecteur? Wordt verzekerd dat alle gedetineerden geïnformeerd zijn opdat zij – rechtsgelijk – toegang kunnen vinden tot dit forum?

    Beter had ik het niet kunnen zeggen…

    Comment by kruitvat — February 4, 2010 @ 8:49 am | Reply

  2. (de naam van LVA werd op verzoek van een Willem DB aangepast omdat LVA geen toestemming zou gegeven hebben om haar volledige naam te publiceren)

    Comment by kruitvat — February 13, 2011 @ 7:52 pm | Reply


RSS feed for comments on this post. TrackBack URI

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s

Create a free website or blog at WordPress.com.

%d bloggers like this: